Werkgevers uit de bouw- en aanverwante sectoren kunnen genieten van een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor werken in onroerende staat op een werf in ploeg.
We zetten de belangrijkste voorwaarden op een rij.
“Werken in onroerende staat”
Deze vrijstelling kan genoten worden door ondernemingen die “werkzaamheden in onroerende staat” uitoefenen. Hiervoor wordt verwezen naar de definitie van onroerende werkzaamheden zoals opgenomen in de BTW-wetgeving (art. 20, § 2, KB nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde).
Het betreft dus niet enkel de bouwsector (PC 124) maar ook andere sectoren waar dergelijke activiteiten worden verricht zoals bijvoorbeeld de schoonmaaksector (PC 121), de sector hout- en stoffering (PC 126), de landbouwsector (PC 144), de metaalsector (PC 111), de elektriciens (PC 149.01),….
Voorwaarden?
Onder werken in onroerende staat in het kader van de BV-vrijstelling werken in onroerende staat wordt verstaan overeenkomstig artikel 275 5 van het WIB :
- het gaat om werken in onroerende staat overeenkomstig de btw-wetgeving;
- het werk wordt verricht in één of meerdere ploegen;
- de ploeg(en) omvatten minstens twee personen zonder rekening te houden met studenten en leerlingen in een alternerende opleiding;
- de ploegen doen hetzelfde of complementair werk zowel qua inhoud als qua omvang;
- de ploegen verrichten het werk op locatie (op een werf);
- Per gepresteerd uur in ‘werken in onroerende staat’ moet er een vastgelegd wettelijk minimumloon aan de werknemers toegekend worden (bedrag 2025: 17,27 euro).
- de RSZ-werfmelding of aangifte van werken verricht hebben in de gevallen waarin dit opgelegd wordt;
- Voor de toepassing van de vermelde BV-vrijstelling moeten de werknemers, overeenkomstig de arbeidsregeling waarin zij tewerkgesteld zijn, over de betrokken maand tenminste één derde van hun arbeidstijd (berekend op uurbasis) tewerkgesteld worden op werven.
Opgelet: De BV-vrijstelling voor werken in onroerende staat kan niet gecumuleerd worden met de BV-vrijstelling ploegen-, nacht- en volcontinu arbeid.
Berekeningsgrondslag
De berekeningsgrondslag bestaat uit de belastbare bezoldigingen van de werknemers, inclusief ploegenpremies, met uitzondering van:
- premies, andere dan de ploegenpremie;
- het vakantiegeld;
- de eindejaarspremie en
- achterstallige bezoldigingen.
De vrijstelling van doorstorting bedraagt 18% (sinds 2020) van de belastbare bezoldigingen (lonen, wedden, ploegenpremies, voordelen van alle aard) van de groep van werknemers die in aanmerking komen voor deze vrijstelling.
Indien deze vrijstelling voor een individuele werknemer niet optimaal benut kan worden, kan dit overgedragen worden naar een andere werknemer binnen de onderneming die aan de voorwaarden voldoet (collectivisering).
Uitzendarbeid?
Deze maatregel kan ook toegepast worden door uitzendbedrijven die uitzendkrachten ter beschikking stellen aan deze ondernemingen. Opgelet: er dient in dit kader rekening gehouden te worden met de vereiste van het voorafgaand akkoord van de klant-gebruiker en het procedureel kader dat in dat kader schriftelijke vastgelegd moet worden.
Bron: Circulaire 2018/C/73 over de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid – invoering van een specifieke maatregel voor werken in onroerende staat; artikelen 74 en 75 van de wet van 26.03.2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie; Artikel 2755, § 5, WIB 92; www.vlaio.be.