Sociaal-Juridisch

Fiscale vergroening van de mobiliteit – groener bedrijfswagenpark – update

By 31 december 2021juni 30th, 2022No Comments

De ministerraad heeft op 21/05/2021 op voorstel van minister van Financiën Vincent Van Peteghem, van minister van Sociale Zaken Frank Vandenbroucke en van minister van Werk Pierre-Yves Dermagne een voorontwerp van wet goedgekeurd voor de organisatie van de fiscale vergroening van de mobiliteit. Het voorontwerp wordt voor advies voorgelegd aan de Raad van State.

Op 3 december 2021 werd de wet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en is onderstaande dus in werking getreden.

“Een fiscale stimulans voor koolstofemissievrije bedrijfswagens en de installatie van elektrische laadpalen zijn samen met het vereenvoudigd mobiliteitsbudget dé hefbomen om onze mobiliteit en ons wagenpark versneld te vergroenen.  Zonder aan lopende contracten te raken, zet dit wetsontwerp belangrijke stappen richting een betere lucht- en levenskwaliteit.” – Vincent Van Peteghem, Minister van Financiën

Op 14/09/2021 heeft de regering een wetsontwerp houdend fiscale en sociale vergroening van de mobiliteit ingediend. In de memorie van toelichting staat dat gezien het hoge aantal bedrijfswagens en hun intensieve gebruik, en gezien hun onvoldoende snel dalende gemiddelde CO2 -uitstoot, er een drastische wijziging van de autofiscaliteit zich opdringt. Het aandeel van wagens met een verbrandingsmotor, zelfs wanneer ze gecombineerd worden met een elektromotor en een accu, zal tegen 2030 versneld moeten afnemen ten voordele van koolstofemissievrije  wagens. Alleen op die manier zullen de Europese doelstellingen inzake reductie van de CO2 -uitstoot, waarbij transport de belangrijkste bron van uitstoot is in de sectoren waar België nog volledig zelf verantwoordelijk is, haalbaar zijn.

1. De elektrificatie van het bedrijfswagenpark

Op het vlak van de groene bedrijfswagen is de ambitie dat tegen 2026 alle nieuwe bedrijfswagens broeikasgasvrij zijn.

Koolstofemissievrije bedrijfswagens worden fiscaal aantrekkelijker dan fossiele varianten. Werkgevers kunnen nog steeds bedrijfswagen op fossiele brandstoffen aanbieden, maar deze bedrijfswagens zullen niet meer kunnen rekenen op een fiscaal voordeel.

Aan de berekening van het belastbaar voordeel van alle aard voor de werknemer raakt men (voorlopig) niet. Er zou wel een informatieplicht in het leven geroepen worden op basis waarvan de werkgever ertoe gehouden is de werknemer te informeren. Deze informatieverplichting wordt verder verduidelijkt via KB. 

De maatregelen worden nu genomen zodat werkgevers en leasingmaatschappijen, maar ook werknemers, zich tijdig kunnen voorbereiden op die omschakeling. Er wordt ook verschillende overgangsregimes voorzien:

  • Voor personenwagens op fossiele brandstof aangeschaft voor 1 juli 2023 geldt een overgangsregel: de huidige fiscale aftrekregeling zal van toepassing blijven. Momenteel zijn de auto- en brandstofkosten minimaal voor 50% aftrekbaar (40% voor wagens met CO2-uitstoot vanaf 200 gr/km en voor wagens zonder gekende CO2-uitstoot) en voor maximaal 100% aftrekbaar
  • Voor personenwagens op fossiele brandstof aangeschaft tussen 1 juli 2023 en 31 december 2025 geldt ook een overgangsregel, maar die wordt wel afgebouwd.
    • Vanaf inkomstenjaar 2025 (aanslagjaar 2026) valt de ondergrens van 40% en 50% weg. De kosten verbonden aan wagens zonder gekende CO2-uitstoot zijn vanaf dan niet langer aftrekbaar.
    • Voor wagens die CO2 uitstoten, evolueert deze maximale aftrekbaarheid van de auto- en brandstofkosten als volgt:
      • 75% aftrekbaar vanaf inkomsten 2025;
      • 50% aftrekbaar vanaf inkomsten 2026;
      • 25% aftrekbaar vanaf inkomsten 2027;
      • 0% aftrekbaar vanaf inkomsten 2028.

Het niet aftrekbare deel van de kosten vormt een verworpen uitgave en is onderworpen aan 25% vennootschapsbelasting.

  • Voor personenwagens op fossiele brandstof aangeschaft vanaf 1 januari 2026: de auto- en brandstofkosten niet meer aftrekbaar. Zij maken voor hun totaliteit een verworpen uitgave uit en zijn als zodanig onderworpen aan 25% vennootschapsbelasting.
  • De fiscale aftrek voor koolstofemissievrije personenwagens (incl. auto’s voor dubbel gebruik en minibussen) zal vanaf 2027 afgebouwd worden:
    • Aangeschaft vanaf 2026: 100% aftrek;
    • Aangeschaft vanaf 2027: 95% aftrek;
    • Aangeschaft vanaf 2028: 90% aftrek;
    • Aangeschaft vanaf 2029: 82,5% aftrek;
    • Aangeschaft vanaf 2030: 75% aftrek;
    • Aangeschaft vanaf 2031: 67,5% aftrek.

Het niet-aftrekbare deel van de kosten vormt een verworpen uitgave en is bijgevolg onderworpen aan 25% vennootschapsbelasting.

  • Voor alle hybride bedrijfswagens aangeschaft vanaf 1 januari 2023, zal vanaf die datum de fiscale aftrekbaarheid van benzine- of dieselkosten beperkt worden tot 50%.De kosten verbonden aan het elektrisch laden, blijven wél voor 100% aftrekbaar. Op die manier worden gebruikers aangemoedigd om elektrisch te rijden met een hybride wagen. Vanaf 1 januari 2026 vervalt deze maatregel.

Aangeschaft?

  • de op dat moment reeds bestelde, maar nog niet geleverde bedrijfswagens
  • voor de bedrijfswagens die operationeel geleased of gehuurd worden en waarvan de economische eigendom dus niet overgedragen wordt, zal gekeken worden naar de datum waarop het lease- of huurcontract wordt afgesloten

Rechtspersonenbelasting? 

Als tegenhanger voor de aftrekbeperkingen wordt in de rechtspersonenbelasting (vb. vzw’s) voorzien in een extra belasting van 25 % op: 

  • de volledige kosten met betrekking tot bedrijfswagens die men vanaf 1 januari 2026 aankoopt, huurt of leaset en die CO2 uitstoten; en
  • een gedeelte van de kosten met betrekking tot koolstofemissievrije wagens die men na 31 december 2026 aankoopt, huurt of leaset.
    • 5 % van de kosten voor voertuigen aangeschaft in 2027;
    • 10 % van de kosten voor voertuigen aangeschaft in 2028;
    • 17,5% van de kosten voor voertuigen aangeschaft in 2029;
    • 25% van de kosten voor voertuigen aangeschaft in 2030;
    • 32,5% van de kosten voor voertuigen aangeschaft vanaf 2031.

Wanneer het voertuig ter beschikking wordt gesteld voor het persoonlijk gebruik door een derde, omvatten de bedoelde kosten niet het bedrag dat overeenstemt met het voordeel van alle aard dat op naam van die derde wordt belast en de eigen bijdrage van die derde voor het persoonlijk gebruik van dat voertuig. 

Er is geen overgangsregeling voorzien voor wagens aangeschaft tussen 1 juli 2023 en 31 december 2025.

Advies NAR en CRB? 

De raden wijzen erop dat de transitie naar een koolstofemissievrij bedrijfswagenpark tegen 1 januari 2026 die met het voorontwerp van wet beoogd wordt, een heel ambitieuze hervorming betreft die onder andere impliceert dat :

  • het elektriciteitsnetwerk tegen begin 2026 voldoende voorbereid zal zijn op massa’s
    elektrische wagens die (tegelijk) moeten worden opgeladen ;
  • de laadinfrastructuur voor elektrische wagens tegen die datum voldoende uitgerold zal zijn.

Aangezien over deze twee zaken geen zekerheid bestaat, vragen de Raden om de situatie reeds in 2023 te evalueren, zo dat de wet indien nodig kan worden bijgestuurd. Mocht uit de tussentijdse evaluatie in 2023 blijken dat:

  • de laadinfrastructuur voor elektrische wagens onvoldoende uitgerold is en/of dat het elektriciteitsnetwerk onvoldoende voorbereid is op massa’s elektrische wagens die tegelijk
    moeten worden opgeladen, dan zou bv. voorzien kunnen worden in een afwijkende overgangsregeling voor plug-in hybride wagens;
  •  er andere CO²-neutrale alternatieve brandstoffen dan elektriciteit zijn waarmee de versnelde vergroening van het (bedrijfs)wagenpark kan worden bereikt10, dan zou beslist kunnen worden
    om daar ook rekening mee te houden.

2. Kostenaftrek woon-werkverplaatsingen 

Bij de aangifte in de personenbelasting kan men ervoor kiezen om de werkelijke beroepskosten te bewijs. Daarbij mogen de kosten verbonden aan het woon-werkverkeer forfaitair in mindering gebrachjt worden ten belope van 0,15 EUR per kilometer. Vanaf 1 januari 2026 zal deze kostenaftrek enkel nog toegelaten zijn voor kosten verbonden aan een bedrijfswagen die geen CO2 uitstoot of die onder het uitdoofscenario valt.

3. Impact sociale zekerheid – CO2-solidariteitsbijdrage 

De werkgever moet maandelijks een CO²-bijdrage betalen als deze aan zijn werknemers een bedrijfswagen toekent die zij ook voor niet beroepsdoeleinden mogen gebruiken (vb. woon-werk verplaatsingen, ander privégebruik,..). 

Deze CO²-bijdrage is gebaseerd op het CO²-uitstootgehalte van de bedrijfswagen en het brandstoftype van de wagen in kwestie.

Voor wagens aangeschaft vóór 1 juli 2023, wijzigt er niets. De CO2-solidariteitsbijdrage blijft berekend volgens de gekende formule.

Voor wagens die een werkgever aanschaft vanaf 1 juli 2023 komt er een verhoging van de CO2- solidariteitsbijdrage. Het resultaat van de berekening moet dan nog vermenigvuldigd worden met een factor:

  • 2,25 vanaf 1 juli 2023;
  • 2,75 vanaf 1 januari 2025;
  • 4,00 vanaf 1 januari 2026;
  • 5,50 vanaf 1 januari 2027.

Daarnaast wordt ook het minimumbedrag van de CO2-solidariteitsbijdrage geleidelijk aan verhoogd:

  • 23,41 EUR vanaf 1 januari 2025;
  • 25,99 EUR vanaf 1 januari 2026;
  • 28,57 EUR vanaf 1 januari 2027;
  • 31,15 EUR vanaf 1 januari 2028.

4. Verhoogde kostenaftrek en degressieve belastingvermindering voor laadstations voor elektrische wagens

Kostenaftrek

De kosten m.b.t. laadstations voor elektrische wagens blijfven 100% aftrekbaar, ongeacht het fiscaal aftrekpercentage dat van toepassing is op de wagens die er gebruik van maken.
Voor de laadstations die de werkgever aankoopt, leaset of huurt vanaf 1 januari 2030 wordt dit bepekt tot 75%

Om belastingplichtigen te stimuleren om zoveel mogelijk te kiezen voor koolstofemissievrije wagens, worden goede laadfaciliteiten thuis, op het werk en onderweg
steeds meer onmisbaar. Daarom wordt er ingezet op de stimulans voor een versnelde aangroei van het aantal laadpalen, zowel thuis als op het werk.

Ondernemingen die tussen 1 september 2021 en 31 augustus 2024 investeren in een publiek toegankelijke laadstation kunnen rekenen op een verhoogde kostenaftrek. De kostenaftrek wordt afgebouwd in de tijd om de versnelling van het aantal laadstations spoedig in te zetten.

  • Voor investeringen tussen 1 september 2021 en 31 december 2022 geldt een aftrekpercentage van 200%;
  • Voor investeringen tussen 1 januari 2023 en 31 augustus 2024 geldt een aftrekpercentage van 150%.

Deze laadinfrastructuur moet publiek toegankelijk en openbaar zijn.

Een laadstation wordt als publiek toegankelijk beschouwd wanneer iedereen met een elektrische auto er gebruik van kan maken en dit minstens gedurende ofwel de gangbare openingstijden van de onderneming, ofwel de gangbare sluitingstijden van de onderneming.

Openbaar betekent dat gebruikers zowel de locatie als de beschikbaarheid kunnen controleren. Daartoe moet het laadstation binnen de door de Koning vast te stellen termijn worden
aangemeld bij de FOD Financiën, die zal instaan voor de vermelding van het laadstation op eafo.eu In het kader van de aanmelding, moet de belastingplichtige de toestemming geven voor die vermelding op eafo.eu. Via KB zal bepaald worden hoe die toestemming moet worden gegeven alsook onder welke vorm de aanmelding moet gebeuren en welke gegevens moeten worden meegedeeld. 

Het moet bovendien gaan om een intelligent laadsysteem (deze kunnen opgevolgd worden en staan onder andere toe om de start en de duurtijd van het opladen te beheren).

De bijkomende kosten die samen met het laadstation worden afgeschreven, maken deel uit van die aanschaffingswaarde. Dat geldt bv. voor de kosten voor bekabelingswerken. Ook de kosten met
betrekking tot een elektriciteitscabine die nodig is voor de werking van de laadstations komen in aanmerking voor de verhoogde kostenaftrek.

Belastingvermindering

Wie als particulier tussen 1 september 2021 en 31 augustus 2024 kiest voor een aankoop en plaatsing van een laadstation thuis zal kunnen rekenen op een belastingvermindering op de investering. Om de versnelling in te zetten, zal de vermindering stelselmatig afbouwen in de tijd.

De belastingvermindering wordt verleend voor de uitgaven die de belastingplichtige heeft betaald voor de aankoop en plaatsing van een laadstation op het adres waar hij zijn woonplaats gevestigd heeft. Het moet gaan om de (fiscale) woonplaats op 1 januari van het aanslagjaar waarvoor de belastingvermindering wordt gevraagd en dus niet noodzakelijk op het tijdstip van de plaatsing van de laadpaal of de betaling. Op die manier kunnen belastingplichtigen die een laadstation laten plaatsen in hun nieuwbouwwoning of nieuw gerenoveerde woning ook in aanmerking komen voor de belastingvermindering.
Het is niet vereist dat de belastingplichtige eigenaar of vruchtgebruiker is van de woning waar het laadstation wordt geplaatst. Ook een huurder die een laadstation laat plaatsen in zijn huurwoning bijvoorbeeld komt in aanmerking voor de vermindering.

Het is bovendien niet vereist dat het laadstation binnenin de woning wordt geplaatst. Ook uitgaven voor laadstations die tegen een buitengevel zijn geplaatst of op buitenparkeerplaatsen
komen in aanmerking voor de belastingvermindering.

De beoogde uitgaven zijn eerst en vooral de uitgaven voor de aankoop van een laadstation in nieuwe staat en de plaatsing ervan. De uitgaven moeten verplicht ook uitgaven voor de plaatsing van het laadstation omvatten. Een door de belastingplichtige zelf geplaatst laadstation komt niet in aanmerking voor de belastingvermindering.
Uitgaven voor de verzwaring van de elektriciteitsinstallatie van één naar drie fasen in het kader van de installatie van een laadstation komen in aanmerking voor de belastingvermindering.
Ook de kosten voor de verplichte keuring van de installatie (die ook een voorwaarde is voor het verlenen van de belastingvermindering) komen in aanmerking voor de belastingvermindering. 

  • Wie deze investering doet tussen 1 september 2021 en 31 december 2022 zal kunnen rekenen op een belastingvermindering van 45%;
  • Dit tarief daalt tot 30% in 2023 en tot 15% in 2024.

Het bedrag waarvoor een belastingvermindering kan worden verleend en waarop ze wordt berekend, is beperkt tot max. 1.500 euro per laadpaal en per belastingplichtige.

Voor particulieren moet het laadstation intelligent zijn (i.c. het kan de laadtijd en laadvermogen sturen) en mag enkel gebruikmaken van groene stroom. Aan die voorwaarde is voldaan wanneer de stroom voor het laadstation wordt geleverd op basis van een 100 pct. groene stroom-contract of door eigen hernieuwbare energie (of een mix van beide) op 1 januari van het aanslagjaar verbonden met het belastbaar tijdperk waarin de uitgaven zijn gedaan.

Volgende documenten moeten ter beschikking gehouden worden: 

  • de facturen voor de uitgaven,
  • het bewijs van de betaling van de uitgaven,
  • het bewijs dat het om een slim laadstation gaat, 
  • het bewijs dat er uitsluitend groene stroom gebruikt wordt,
  • het keuringsattest. 

5. Investeringsaftrek voor koolstofemissievrije vrachtwagens en elektrische laadinfrastructuur

Voor ondernemingen die een koolstofemissievrij vrachtwagen (in nieuwe staat) aanschaffen, een tankinfrastructuur voor waterstof of een elektrisch laadstation installeren, zal een verhoogde investeringsaftrek gelden. Het tarief bedraagt:

    • 35% in 2023;
    • 29,5% in 2024;
    • 24% in 2025;
    • 18,5% in 2026;
    • 13,5% in 2027.

6. Versterking van de bestaande regeling van het mobiliteitsbudget

Oorspronkelijk werd er voorzie dat het mobiliteitsbudget van toepassing zou worden op alle werknemers, die een bedrijfswagen hebben of ervoor in aanmerking komen (zonder wachttermijn), met bijkomende keuzemogelijkheden in pijler 2 ‘duurzame mobiliteit’:

  • Kosten voor financiering (bv. fietsleningen), stallingkosten en kosten voor niet-verplichte uitrusting die de veiligheid en zichtbaarheid verhogen bij zachte mobiliteit;
  • Ook ‘elektrische voortbewegingstoestellen’, zoals elektrische steps, worden gezien als zachte mobiliteit;
  • Abonnementen voor het openbaar vervoer van inwonende gezinsleden van de werknemer, omdat vandaag bijvoorbeeld de kinderen vaak met de bedrijfswagen naar school worden gebracht;
  • Parkeerkosten die gepaard gaan met het gebruik van het openbaar vervoer;
  • Voetgangerspremie voor de verplaatsing tussen thuis en het werk;
  • De radius voor het in aanmerking komen van huisvestingkosten wordt uitgebreid tot 10 kilometer van de plaats van tewerkstelling. Ook kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen tellen voortaan mee.

De keuzes pijler 2 ‘duurzame mobiliteit’ zouden dan vrijgesteld zijn van socialezekerheidsbijdragen en belastingen.

Dit aspect werd echter momenteel via het wetsontwerp tijdelijk opzij geschoven. 

Advies NAR en CRB?

In het advies van de NAR wordt het mobiliteitsbudget echter als belangrijk element beschouwd in de verwezenlijking van de Belgische milieudoelstellingen.  Ze zijn van oordeel dat het
mobiliteitsbudget een instrument is met een groot potentieel5 waarvan het gebruik moet worden aangemoedigd om het gebruik van alternatieven voor de bedrijfswagen in het kader van (onder meer) het woon-werkverkeer aan te moedigen en op die manier bij te dragen tot de realisatie van een modal shift.

 

 

Bovenstaande bespreking is onder voorbehoud van eventuele wijzigingen en de publicatie in het Belgisch Staatsblad.

 

Bron: https://vanpeteghem.belgium.be/nl/minister-van-peteghem-maakt-van-bedrijfswagens-en-laadpalen-de-hefbomen-naar-een-groener-wagenpark-0; https://news.belgium.be/nl/fiscale-vergroening-van-de-mobiliteit; Wet van 21 november 2021 houdende fiscale en sociale vergroening van de mobiliteit, BS 3 december 2021; NAR advies nr. 2.239 over het voorontwerp van wet houdende fiscale en sociale vergroening van de mobiliteit, 28/09/2021. 

 

Deze website maakt gebruik van cookies om je gebruikservaring te optimaliseren. Door op “Accepteren” te klikken, ga je akkoord met het plaatsen van deze cookies.