GGMMI – algemeen
In heel wat paritaire comités worden er minimale brutolonen bepaald via sectorale cao’s. Dit zijn de zogenaamde schaallonen of minimumbarema’s. De individuele arbeidsovereenkomst mag een hoger brutoloon toekennen, maar nooit een lager brutoloon.
Op nationaal niveau bepaalt CAO nr. 43 de absolute ondergrens van het loon voor een voltijdse tewerkstelling van een werknemer van 18 jaar of ouder met een arbeidsovereenkomst (m.u.z. studentenovereenkomsten voor werknemers van 18, 19 of 20 jaar). Dit is het zogenaamde ‘gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen (GGMMI). CAO nr. 50 bepaalt de absolute ondergrens voor werknemers jonger dan 18 jaar met een arbeidsovereenkomst (incl. studentenovereenkomsten) en voor werknemers van 18, 19 en 20 jaar met een studentenovereenkomst.
Op sectoraal vlak wordt er meestal een minimum bruto maand- of uurloon bepaald. Het GGMMI is echter ruimer dan een minimum maandloon of uurloon. Het gaat immers over een gemiddeld minimum maandinkomen. Ook onderdelen van het loon die in de loop van het jaar uitbetaald worden, moeten meegeteld worden om de berekening van het gemiddelde maanloon te maken. Artikel 5 van CAO nr. 43 voorziet hierover het volgende: “Deze elementen omvatten onder meer het loon in geld of in natura, het vast of veranderlijk loon alsmede de premies en voordelen waarop de werknemer recht heeft ten laste van de werkgever uit hoofde van zijn normale arbeidsprestaties, d.w.z. de prestaties die in de arbeidswet en in de collectieve arbeidsovereenkomsten vermeld zijn en die per onderneming in het arbeidsreglement werden gepreciseerd.” Denk hierbij aan de eindejaarspremie, jaarlijkse premies, ploegenpremies, …
CAO nr. 43 en CAO nr. 50 zijn niet van toepassing op:
- Jongeren die werken in het kader van alternerend leren op basis van een andere overeenkomst dan een arbeidsovereenkomst.
- Personen die tewerkgesteld zijn in een familieonderneming waar gewoonlijk alleen bloedverwanten, aanverwanten of pleegkinderen arbeid verrichten onder het uitsluitende gezag van de vader, de moeder of de voogd.
- werknemers die gewoonlijk zijn tewerkgesteld gedurende periodes die minder dan een kalendermaand bedragen.
Voor de deeltijdse tewerkstellingen zal er een pro rata moeten gebeuren in functie van de arbeidsduur in de onderneming en het GGMMI voor een voltijdse tewerkstelling (cf. CAO nr. 35).
Verhoging i.h.k.v. afsprakenkader sociale partners
Op 1 april 2026 zal het minimumloon (GGMMI) opnieuw stijgen met 35,70 euro bruto. Het GGMMI steeg al een eerste keer op 1 april 2022 en een tweede keer op 1 april 2024. Deze stijgingen kaderen in de uitvoering van het afsprakenkader van 2021 – 2022 betreffende de verhoging van het interprofessionele minimumloon.
Deze verhoging staat bijgevolg los van de indexering van het GGMMI, telkens de spilindex overschreden wordt.
Ter compensatie van de extra kosten gelet op de verhoging van het GGMMI, wordt er ook gesleuteld aan de formule van de structurele vermindering vanaf 1 april 2026.
Opgelet: een aanpassing van het GGMMI heeft ook impact op o.a. de sociale werkbonus, forfaits gelegenheidswerknemers land-en tuinbouw, leervergoedingen, …….
CAO nr. 43
| Periode | 18 jaar en ouder |
| 01/02/2025 – 31/12/2025 | 2.111,89 € |
| 01/01/2026 – 31/03/2026 | 2.154,11 € |
| 01/04/2026 – …. | 2.189,81 € |
CAO nr. 50 – werknemers < 18 jaar
| Periode | 16 jaar en jonger (67%) | 17 jaar (73%) |
| 01/02/2025 – 31/12/2025 | 1.414,97 € | 1.541,68 € |
| 01/01/2026 – 31/03/2026 | 1.443,25 € | 1.572,50 € |
| 01/04/2026 – ….. | 1467,17 € | 1.598,56 € |
CAO nr. 50 – studenten / alternerend leren 18 – 20 jaar
| Periode | 18 jaar (79%) | 19 jaar (85%) | 20 jaar (90%) |
| 01/02/2025 – 31/12/2025 | 1.668,39 € | 1.795,11 € | 1.900,70 € |
| 01/01/2026 – 31/03/2026 | 1.701,75 € | 1830,99 € | 1938,70 € |
| 01/04/2026 – ….. | 1.729,95 € | 1.861.34 € | 1.970,83 € |
Bron: CAO nr. 43/18 van 24/03/2026 tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum-maandinkomen; http://www.cnt-nar.be/Cao-lijst.htm.