Even ter herinnering, onder ‘ploegenarbeid’ in het kader van de BV-vrijstelling ploegenarbeid wordt verstaan overeenkomstig artikel 2755 van het WIB :
- het werk wordt verricht in minstens twee ploegen van minstens twee werknemers;
- de ploegen, waaronder een nachtploeg kan vallen, doen hetzelfde werk zowel qua inhoud als qua omvang;
- de ploegen volgen elkaar op zonder onderbreking;
- er is geen overlapping van meer dan een vierde van hun dagtaak tussen de opeenvolgende ploegen.
Per gepresteerd uur in ‘ploegenarbeid’ moet een premie van minstens 2 % van het loon worden toegekend aan alle werknemers die ploegenarbeid verrichten.
Bijkomend moet deze premie ook expliciet opgenomen zijn in de cao, het arbeidsreglement, of de individuele arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de werknemer.
Een andere bron volstaat niet.
Vraag
Recent werd in de Kamercommissie Financiën een vraag gesteld over dat het recht op de fiscale korting (vrijstelling) op de bedrijfsvoorheffing komt te vervallen voor werknemers die in ploegen werken, maar buiten de ploeguren een opleiding volgen maar ook op deze uren een ploegenpremie ontvangen.
- Op welke manier heeft een opleiding buiten de ploeguren impact op het systeem van ploegenarbeid?
- Wat is de economische of fiscale rationaliteit om het fiscale gunstregime te doen vervallen als een activiteit die uiteindelijk geen impact heeft op het systeem van ploegenarbeid, wordt uitgeoefend door de begunstigde van een ploegenpremie?
Antwoord minister van Financiën
De ploegenpremie wordt gedefinieerd als de premie die wordt toegekend naar aanleiding van het verrichten van ploegenarbeid. Als basisprincipe geldt dus dat de ploegenpremie verbonden moet zijn met prestaties in ploegenarbeid. Zo’n premie kan dus in principe enkel toegekend worden aan werknemers die ploegenarbeid verrichten en vice versa alle werknemers die ploegenarbeid verrichten, moeten die premie ontvangen.
Hoe zo’n premie concreet genoemd wordt, is daarbij niet bepalend.
Eenzelfde premie die wordt toegekend aan zowel werknemers die ploegenarbeid verrichten als werknemers die geen ploegenarbeid verrichten, beantwoordt bijgevolg strikt genomen niet aan de fiscale definitie van het begrip ploegenpremie.
Als een werknemer overeenkomstig zijn arbeidsregeling in ploegenarbeid is tewerkgesteld, maar bij wijze van uitzondering op een bepaalde dag geen ploegenarbeid heeft verricht en op grond van wettelijke verplichtingen of arbeidsrechtelijke afspraken met de werkgever toch recht heeft op de toekenning van de ploegenpremie, bijvoorbeeld wanneer de arbeidsovereenkomst is geschorst wegens ziekte of, zoals het gegeven voorbeeld in de vraagstelling, bij het volgen van een opleiding met doorbetaling van het loon door de werkgever, dan wordt de premie geacht nog steeds te zijn toegekend naar aanleiding van het verrichten van ploegenarbeid, op voorwaarde dat de ziekte- of opleidingsdag samenvalt met een arbeidsdag waarop de betrokken werknemer overeenkomstig zijn arbeidsregeling in ploegenarbeid tewerkgesteld zou zijn.
De werkgever moet dan wel aantonen dat hij in dergelijke gevallen verplicht is de premie toe te kennen. Dat bewijs kan onder meer blijken uit een wettelijke verplichting, een collectieve arbeidsovereenkomst of een arbeidsreglement.
Conclusie
Werkgevers moeten erover waken dat ze enerzijds geen ploegenpremies meer toekennen aan werknemers die niet of niet meer tewerkgesteld zijn in een ploegenstelsel of anderzijds dat wanneer ze een ploegenpremie toekennen aan werknemers voor occasionele activiteiten buiten de effectieve ploegenarbeid (zoals het volgen van een opleiding) hiervan een verplichting voorzien wordt in een cao of het arbeidsreglement.
Anders loopt de werkgever het risico dat niet meer voldaan is aan de fiscale definitie van ploegen- of nachtarbeid, wat het verlies van de volledige vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing tot gevolg kan hebben.
Gelet op de strenge controles op heden is te verwachten dat de fiscus dit ook strikt zal interpreteren.
Bron : Vraag nr. 56007604C van de heer L. Vereeck, Kamercommissie Financiën, 1995-1996, 13 januari 2026, nr. 56/COM 285, 16.