Skip to main content
Sociaal-Juridisch

België en Nederland definiëren het begrip “vaste inrichting” bij thuiswerk

By 28 december 2023No Comments

Beide landen hebben de overeenkomst opgesteld om werkgevers in Nederland en België duidelijkheid te bieden over de elementen die in het bijzonder van belang zijn bij de beoordeling of het thuiswerken van werknemers in hun woonland leidt tot een vaste inrichting in de zin van artikel 5 van het Dubbelbelastingsverdrag.

Het begrip “vaste inrichting” wordt gedefinieerd als een vaste bedrijfsinrichting met behulp waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend. Voor de uitleg van deze definitie verwijzen de bevoegde overheden naar het OESO-commentaar. Voor werknemers die thuiswerken is in eerste instantie van belang of sprake is van een “vaste bedrijfsinrichting”, hetgeen veronderstelt dat deze ter beschikking staat aan de onderneming.

Het enkele gebruik van een thuiswerkplek is op zich niet doorslaggevend. Of er sprake is van een vaste inrichting hangt af van een aantal relevante feiten en omstandigheden per geval.

Incidenteel thuiswerken

Wanneer de werknemer onregelmatig of incidenteel van thuis uit werkt, is er geen sprake van een vaste inrichting om dat daarvoor de vereiste continuïteit ontbreekt.

Structureel thuiswerk met de mogelijkheid tot werken op locatie

Wanneer een werknemer ervoor kan kiezen om structureel thuis te werken, doch ook om op de werkplek te werken waar de werkgever gevestigd is, dan is er in principe geen sprake van een vaste inrichting. De thuiswerkplek wordt namelijk niet ter beschikking gesteld van de werkgever aangezien de werknemer ook op de werkplek kan werken. Indien de werknemer echter continu thuis werkt voor het verrichten van ondernemingsactiviteiten van de werkgever en uit de feiten blijkt dat de werkgever vereist dat de werknemer de ondernemingsactiviteit verricht vanuit de thuiswerkplek, dan kan deze plek er beschikking staan aan de onderneming van de werkgever.

Dat is bijvoorbeeld wanneer het voor de werknemer moeilijk of praktisch niet mogelijk is om te werken op de werkplek in de staat waarin de werkgever is gevestigd.

Structureel en verplicht thuiswerken

Of een locatie ter beschikking staat aan een onderneming op zodanige wijze dat zij een bedrijfsinrichting kan vormen met behulp waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend, zal afhangen van de vraag of de werkgever de feitelijke macht heeft om deze thuiswerkplek te gebruiken en of de werkgever feitelijk de mate kan bepalen waarin de onderneming op die plek aanwezig is en of deze de activiteiten kan bepalen die daar kunnen worden uitgeoefend.

Bij een thuiswerkplek wordt er dan gedacht aan volgende situaties:

  • De werkgever vereist (contractueel) dat de werknemer de werkzaamheden of een bepaald deel daarvan thuis verricht.
  • Er is feitelijk geen werkplek voor de individuele werknemer in de staat waarin de werkgever is gevestigd waardoor de werknemer gedwongen is deze werkzaamheden thuis te verrichten (in dit geval eist de werkgever (feitelijk) de thuiswerkplek op voor de ondernemingsactiviteiten die de werknemer verricht).
  • De werknemer kan het gebruik van de thuiswerkplek niet eenzijdig stopzetten. Dit is bijvoorbeeld het geval als de werknemer zijn werkzaamheden niet adequaat of niet conform het arbeidscontract kan verrichten als hij zijn werkzaamheden niet thuis verricht

Voor de afweging hiervan is het niet relevant of de werkgever al dan niet (financiële, ICT-of andere) middelen ter beschikking heeft gesteld om de thuiswerkplek in te richten om het thuiswerken mogelijk te maken, of welzijnswetverplichtingen heeft met betrekking tot de thuiswerkplek.

Praktische toepassing

De bevoegde overheden gaan ervanuit dat wanneer er 50 % of minder thuisgewerkt wordt gedurende een tijdvak van 12 maanden dat begint of eindigt in een belastingjaar, er geen sprake is van een vaste inrichting.

Wanneer de werknemer op zijn thuiswerkplek werkzaamheden van voorbereidende aard of hulpwerkzaamheden verricht, is er eveneens geen sprake van een vaste inrichting.

De overheden begrijpen onder ‘een activiteit met een voorbereidend karakter’ een activiteit die wordt uitgeoefend met het oog op de uitoefening van datgene dat het wezenlijke en significante deel van de activiteit van de onderneming als geheel uitmaakt. En als ‘hulpwerkzaamheid’ een activiteit die de essentiële en significante
activiteit van de onderneming als geheel ondersteunt, zonder er deel van uit te maken.

Deze werkzaamheden mogen alleen verricht worden voor de onderneming die zijn werkgever is. Er zou dus sprake zijn van een vaste inrichting indien deze werkzaamheden ten behoeve van andere ondernemingen op dezelfde thuiswerkplek zouden worden uitgeoefend.

Er wordt daarbij gedacht aan secretariële activiteiten en activiteiten voor de interne boekhouding, personeelszaken (HR) of ICT-ondersteuning.

Bron : Overeenkomst van 23 november 2023  tussen de bevoegde autoriteiten van Nederland en België over de interpretatie van artikel 5 van het belastingverdrag (vaste inrichting) bij thuiswerkende werknemers, BS 15 december 2023.

 

Deze website maakt gebruik van cookies om je gebruikservaring te optimaliseren. Door op “Accepteren” te klikken, ga je akkoord met het plaatsen van deze cookies.