Skip to main content
Sociaal-Juridisch

BV-vrijstelling ploegenarbeid – Grondwettelijk Hof

By 29 februari 2024No Comments

Het Grondwettelijk Hof heeft recent geoordeeld dat het niet ongrondwettig is dat de gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid enkel geldt wanneer de ploegen zowel qua inhoud als qua omvang hetzelfde werk doen. 

De ondernemingen waarin ploegen- of nachtarbeid wordt verricht kunnen indien de desbetreffende voorwaarden voldaan zijn genieten een gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 22,80% (25% bij volcontinuarbeid).

Onder ‘ploegenarbeid’ in het kader van de BV-vrijstelling ploegenarbeid wordt verstaan overeenkomstig artikel 2755 van het WIB :

  • het werk wordt verricht in minstens twee ploegen van minstens twee werknemers; 
  • de ploegen, waaronder een nachtploeg kan vallen, doen hetzelfde werk zowel qua inhoud als qua omvang
  • de ploegen volgen elkaar op zonder onderbreking; 
  • er is geen overlapping van meer dan een vierde van hun dagtaak tussen de opeenvolgende ploegen.

Per gepresteerd uur in ‘ploegenarbeid’ moet een premie van minstens 2 % van het loon worden toegekend, aan alle werknemers die ploegenarbeid verrichten. 

Voor de toepassing van de vermelde BV-vrijstelling moeten de werknemers, overeenkomstig de arbeidsregeling waarin zij tewerkgesteld zijn, over de betrokken maand tenminste één derde van hun arbeidstijd (berekend op uurbasis) tewerkgesteld worden. 

Aan het Hof wordt gevraagd of die vrijstelling het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt, in zoverre enkel ondernemingen waarin de ploegen hetzelfde werk doen, zowel qua inhoud als qua omvang, de vrijstelling kunnen genieten, terwijl ondernemingen waarin de omvang van het werk van de ploegen varieert volgens piek- en daluren en de ondernemingen waarin de omvang van het werk van de ploegen vergelijkbaar maar niet hetzelfde is, uitgesloten worden van de vrijstelling.

Volgens het Hof is de voorwaarde dat de ploegen dezelfde omvang van werk moeten verrichten pertinent ten aanzien van de doelstellingen van de wetgever om, enerzijds, te voorkomen dat werkgevers louter omwille van het fiscale voordeel hun arbeidsorganisatie zouden ombuigen naar arbeid verricht in ploegen en, anderzijds, de kostprijs van de maatregel binnen bepaalde perken te houden. Gelet op de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever, is de voormelde maatregel niet discriminerend.

Concreet ging het over een bedrijf dat bijstand verleent bij autopech en een bedrijf dat autobussen en autocars ter beschikking stelt. Deze bedrijven maakten gebruik van de BV-vrijstelling wegens ploegenarbeid. De fiscale administratie was echter van oordeel dat die bedrijven niet voldoen aan de definitie van ploegenarbeid vervat in artikel 275/5 van het WIB 1992.

Bron: Arrest van het Grondwettelijk Hof van 8 februari 2024, nr. 21/2024

 

Deze website maakt gebruik van cookies om je gebruikservaring te optimaliseren. Door op “Accepteren” te klikken, ga je akkoord met het plaatsen van deze cookies.