Elektrisch aangedreven “microcars” (brommobiel) zijn een nieuwe vorm van mobiliteit die recent aan een opmars bezig is. Het gaat hier over voertuigen zoals de Microlino, de Kate of de Citroën Ami. Ze zijn milieuvriendelijk, nemen weinig plaats in, en kunnen een rol spelen bij de verduurzaming van de stedelijke individuele mobiliteit. Technisch gezien gaat het over zgn. elektrische “quadricycles”, voertuigcategorie L7e (waarvoor een rijbewijs B vereist is).
Er zijn bedrijven of zelfstandigen die deze voertuigen als alternatief willen inzetten voor de klassieke bedrijfswagen (bijvoorbeeld in het kader van het mobiliteitsbudget).
Fiscale implicaties?
In de praktijk stelt zich dan de vraag hoe het voordeel alle aard voor het privégebruik van een dergelijk voertuig berekend moet worden. In de huidige regelgeving is er voor dergelijke voertuigen geen expliciete forfaitaire regeling voorzien zoals die geldt voor elektrische personenwagens.
Er werd aan de minister van Financiën gevraagd of deze voertuigen van categorie L7e voor wat betreft de berekening van het voordeel van alle aard op dezelfde manier behandeld mogen worden als elektrische personenwagens van de categorie M1.
De minister van Financiën heeft verduidelijkt dat in de huidige stand van de wetgeving het voordeel van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een door de werkgever kosteloos ter beschikking gestelde elektrische microcar in categorie L7e niet op forfaitaire wijze worden vastgesteld, zoals dat nu wel het geval is voor een elektrische personenauto in categorie M1.
Het voordeel dat voortvloeit uit de terbeschikkingstelling van een elektrische microcar moet berekend worden op basis van de werkelijke waarde (cf. kosten privégebruik en woon-werkverkeer).
Implicaties sociale zekerheid?
De regelgeving rond “bedrijfsvoertuigen” maakt het onderscheid tussen gewone voertuigen (M1) en utilitaire voertuigen (N1). Microcars (voertuigcategorie L7) behoren echter niet tot deze categorieën. De solidariteitsbijdrage is bijgevolg niet verschuldigd bij het ter beschikking stellen van een microcar van de categorie L7e omdat ze niet tot de categorieën M1 of N1 behoort.
Wanneer de werkgever kosteloos een microcar van de categorie L7e (al dan niet met toebehoren en onderhoud) ter beschikking stelt van de werknemer dan gelden de volgende regels:
- het gebruik van de microcar voor het woon-werkverkeer en het afleggen van trajecten in opdracht van de werkgever (professionele verplaatsingen), vormt geen voordeel voor de werknemer en is niet onderworpen aan gewone of bijzondere sociale zekerheidsbijdragen.
- het gebruik van de microcar voor privéverkeer vormt wel een voordeel voor de werknemer. Dit voordeel moet dat per kwartaal bij het gewone loon voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen worden gevoegd.
Het voordeel moet zo correct mogelijk worden geschat op de werkelijke waarde.
Bron: Mondelinge parlementaire vraag nr. 55041719C van de heer Wim Van der Donckt d.d. 24.04.2024.