Ter herinnering
In het kader van het begrotingsakkoord had de regering een akkoord bereikt over een zogenaamde “centenindex” in 2026 en 2028, waarbij er een volledige indexatie zou zijn van de lonen tot 4.000 euro bruto en een begrensde index van 2% op 4.000 euro voor hogere lonen (vast bedrag).
De helft van de impact hiervan zou toekomen aan de ondernemingen, de andere helft zou toekomen aan de overheid via een “bijzondere loonmatigingsbijdrage” geïnd door de RSZ samen met de socialezekerheidsbijdragen voor het betreffende kwartaal.
Een ontwerp van programmawet bevat de verdere uitvoeringsmodaliteiten van deze maatregel.
“Centenindex”
De loonmatiging tot 2% is enkel van toepassing op de lonen die het grensbedrag van 4000 euro overschrijden.
Voor de toepassing hiervan wordt verduidelijkt dat dit enkel het bruto maandelijks vast baremiek of contractueel basisloon op voltijdse basis in aanmerking genomen. Het referteloon wordt bepaald op basis van het contractueel basisloon wanneer geen baremiek basisloon werd vastgesteld of wanneer het contractueel loon hoger is dat het baremiek basisloon. Het vast basisloon omvat bijvoorbeeld niet: overloon, maaltijdcheques, prestatiebonussen, eindejaarspremies, ecocheques, winstpremies, toeslagen voor nacht- of weekendarbeid, …
Voor deeltijdse werknemers wordt het referteloon op evenredige wijze verminderd in verhouding tot hun tewerkstellingsbreuk.
Voor werknemers van wie het basisloon wordt uitgedrukt als uurloon, wordt het referteloon bereikt door dit te vermenigvuldigen met de voltijdse wekelijkse arbeidsduur voor de functie, vermenigvuldigd met dertien en gedeeld door drie.
Voor werknemers van wie het basisloon wordt uitgedrukt als dagloon wordt het maandloon in een vijfdagenweek bereikt door het dagloon te vermenigvuldigen met vijfenzestig en te delen door drie.
Er wordt voorzien in twee loonmatigingsperiodes:
- 1e loonmatigingsperiode: vanaf 01/06/2026 en die eindigt op de dag waarop het beoogde matigingseffect werd bereikt voor alle lonen waarop een indexeringsmechanisme van toepassing is;
- 2e loonmatigingsperiode: vanaf 01/01/2028 en die eindigt op de dag waarop het beoogde matigingseffect werd bereikt voor alle lonen waarop een indexeringsmechanisme van toepassing
is (opgelet: er zal hierbij rekening gehouden worden met een geïndexeerd grensbedrag, deze datum kan uitgesteld worden indien het loonmatigingseffect van de &e loonmatigingsperiode nog niet is bereikt)
Concreet:
- Indien de indexering exact 2% bereikt, wordt de plafonnering volledig toegepast.
- Indien de indexering meer dan 2% bedraagt, wordt de plafonnering toegepast tot aan 2%. Het deel boven die 2% wordt niet geplafonneerd.
- Indien de indexering minder dan 2% bedraagt, is de plafonnering nog niet bereikt; ze moet dan worden toegepast bij de volgende indexeringen, tot de drempel van 2% bereikt is.
Het effect van de loonmatiging is het verschil tussen het loon dat hij zou hebben ontvangen zonder loonmatiging verhoogd met de patronale basisbijdragen en het gematigd loon, verhoogd met de patronale basisbijdragen. Dit effect wordt per werknemer bereikt op het ogenblik waarop diens referteloon, zonder toepassing van de loonmatiging, ten belope van 2 % zou zijn geïndexeerd.
In de memorie van toelichting werden enkele rekenvoorbeelden toegevoegd:
Voorbeeld 1:
In januari 2027 voorziet PC 200 een loonindexering van vb. 2,2 %
- Werknemer A met een referteloon (maandelijks voltijds) van 3000 euro valt niet onder de toepassing van deze maatregel. Diens loon wordt geïndexeerd met 2,2 % overeenkomstig de sectorale bepalingen –>
3000 x 2,2 procent = 66 euro. Het referteloon na indexering bedraagt 3066 euro - Werknemer B met een referteloon van 10.000 euro:
- het gedeelte van het referteloon tot 4000 euro wordt beperkt geïndexeerd aan 2 %: 4000 x 2 procent = 80 euro;
- vervolgens wordt het volledige referteloon geïndexeerd ten belope van het verschil tussen het reële cumulatieve indexeringspercentage en die 2% (2,2 %- 2 %= 0,2 %): 10.000 x 0,2
%= 20 euro; - Het geïndexeerd referteloon met toepassing van de loonmatiging bedraagt 10.100 euro. Zonder toepassing van de loonmatiging zou het geïndexeerd loon 10.220 euro bedragen (10.000 x 2,2 procent)
Voorbeeld 2:
Een sectorale CAO voorziet in een loonindexering met vb. 1% in mei 2026 en met 1,5 % in september 2026.
- Werknemer A met een referteloon (maandelijks voltijds) van 3000 euro valt niet onder de toepassing van deze maatregel. Diens loon wordt overeenkomstig de sectorale bepalingen in mei 2026 geïndexeerd met 1 %
(3030 euro) en in september 2026 met 1,5 % (3030 x 1,5 procent = 3075,45 euro). - Werknemer B met een referteloon van 10.000 euro, wordt:
- In mei 2026:
- het gedeelte van het referteloon tot 4000 euro wordt beperkt geïndexeerd aan 1% -_> 4000 x 1 % = 40 euro. Loon na indexering mei = 10.040 euro;
- het gedeelte van het referteloon boven de 4000 euro wordt niet geïndexeerd aangezien de 2 procent nog niet is bereikt.
- In september 2026:
- het gedeelte van het referteloon tot 4000 euro beperkt geïndexeerd aan 1 %: 4000 x 1% = 40 euro
- vervolgens het volledig referteloon geïndexeerd ten belope van het verschil tussen het theoretisch indexeringspercentage in de eerste matigingsperiode en die 2% (2,5 % – 2 %= 0,5 %) –> 10.040 x 0,5 % = 50,20 euro
- het geïndexeerd loon bedraagt dan 10.130,20 euro (10.040 + 40 + 50,20).
- Zonder toepassing van de loonmatiging zou het geïndexeerd loon 10.251,50 euro bedragen, berekend als volgt:
- 10.000 x 1 procent: 10.100 euro
- 10.100 x 1,5 procent: 10.100 + 151,50 = 10.251,50 euro
- In mei 2026:
Er wordt verduidelijkt dat de toepassing van de indexeringsmechanismen na afloop van een matigingsperiode gebeurt op basis van het loon zoals dit overeenkomstig de bepalingen van de programmawet werd geïndexeerd, zodat de tijdens de matigingsperiode gerealiseerde loonaanpassing duurzaam wordt verankerd in de verdere loonontwikkeling.
Om ontwijking en/of ontduiking van de loonmatiging tegen te gaan, wordt uitdrukkelijk voorzien dat de bepalingen van deze wet toegepast moeten worden. Elk tegenstrijdig beding wordt als niet-bestaande beschouwd.
Bijzondere loonmatigingsbijdrage
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de bijzondere loonmatigingsbijdrage verschuldigd tijdens de eerste en tweede matigingsperiode enerzijds en anderzijds de geconsolideerde bijzondere loonmatigingsbijdrage.
De betrokken werkgevers zijn voor iedere maand in de eerste matigingsperiode aan de RSZ op de door hen verschuldigde lonen waarop de loonmatiging werd toegepast, een bijzondere loonmatigingsbijdrage verschuldigd ten bedrage van de helft van de opbrengst van de loonmatiging, berekend als volgt:
[[(referteloon aangepast overeenkomstig artikel 55) – (4000 euro x (1+indexcijfer)) x prestatiebreuk*] x indexcijfer + [(referteloon aangepast overeenkomstig artikel 55) – (4000 euro x (1+indexcijfer)) x prestatiebreuk*)] x indexcijfer x globale werkgeversbijdrage] / 2.
*De prestatiebreuk wordt vastgesteld op basis van de daadwerkelijk verrichte prestaties in de betrokken periode.
De betrokken werkgevers zijn voor iedere maand in de tweede matigingsperiode aan de RSZ op de door hen verschuldigde lonen waarop de loonmatiging werd toegepast, een bijzondere loonmatigingsbijdrage verschuldigd ten bedrage van de helft van de opbrengst van de loonmatiging, berekend als volgt:
[[(referteloon aangepast overeenkomstig artikel 56) – (4.000 euro x (1+indexcijfer)) x tewerkstellingsbreuk] x indexcijfer + [(referentieloon aangepast overeenkomstig art. 56) – (4.000 euro x (1+indexcijfer)) x tewerkstellingsbreuk)] x indexcijfer x basiswerkgeversbijdrage] / 2.
Een geconsolideerde loonmatigingsbijdrage is verschuldigd zodra het matigingseffect de eerste maal (voorlopige geconsolideerde loonmatigingsbijdrage), en de tweede maal (definitief geconsolideerde loonmatigingsbijdrage), werd bereikt. Via KB zullen de nadere regels voor de berekening, aangifte en inning van de geconsolideerde bijzondere loonmatigingsbijdrage bepaald worden.
Recent werd een amendement ingediend bij het ontwerp van programmawet. Om te vermijden dat een tijdelijke loonkostenverlaging wordt gecompenseerd door een structurele verhoging van de loonkosten, wordt voorgesteld om aan de geconsolideerde bijzondere loonmatigingsbijdrage een tijdelijk karakter te geven en deze op 31 december 2028 buiten werking te laten treden. Opgelet: het is een amendement dat werd ingediend door een partij die geen deel uitmaakt van de regering zodat er geen zekerheid is dat dit amendement ook effectief aangenomen zal worden. Dit amendement werd niet aangenomen.
De opbrengst van de geconsolideerde bijdrage is bestemd voor de RSZ-Globaal Beheer.
Advies NAR
De NAR heeft zich uitgesproken over de indexmaatregelen in het ontwerp van programma-wet (de zogenaamde “centenindex”).
Er werden in dat kader enkele gezamenlijke opmerkingen geformuleerd:
- Een te late en onvolledige adviesaanvraag: de NAR heeft onvoldoende tijd om een kwalitatief sociaal overleg te voeren en om deze complexe maatregel grondig te analyseren. Bovendien moeten sommige modaliteiten nog bij koninklijk besluit worden vastgesteld.
- Een complexe en onduidelijke maatregel binnen een onvoldoende afgebakend begrotingskader: de voorgestelde regeling van de “centenindex” is bijzonder complex zowel op het vlak van indexering als van de verschillende soorten loonmatigingsbijdragen.
- De toepassing zal verschillen per sector, omdat de indexeringsmodaliteiten niet uniform zijn. Daardoor zal elke sector een eigen implementatie uitwerken.
- Daarnaast zal de maatregel de loonbarema’s en de loonspanningen tussen functiecategorieën wijzigen. In veel gevallen zullen daarom potentieel opnieuw onderhandelingen nodig zijn op sector- en ondernemingsniveau.
- Het systeem voorziet in vier verschillende soorten bijdragen, die bovendien overlappen, wat de afstemming bemoeilijkt en aanleiding geeft tot een enorme administratieve complexiteit voor de ondernemingen.
- Het begrotingskader en het verwachte rendement blijven onzeker, mede gelet op het feit dat toekomstige modaliteiten van bepaalde bijdragen nog niet bekend zijn.
De werkgeversorganisaties vinden het noodzakelijk, opdat de maatregel zijn doel van verbetering van de concurrentiekracht van de ondernemingen zowel op korte als op lange termijn zou kunnen bereiken, dat:
- de impact van de maatregel betreffende de centenindex geneutraliseerd wordt in de berekening van de maximaal beschikbare marge krachtens de wet van 1996.
- bij wet wordt gewaarborgd dat het bedrag van de bijdrage dat aan de begroting wordt toegewezen, strikt beperkt blijft tot de helft van het reële voordeel. Om dit te garanderen moet het percentage van de bijdrage exact worden vastgesteld, op basis van vastgestelde cijfers en op een wetenschappelijke manier.
- de bijdrage in de tijd verdwijnt, naarmate het voordeel afneemt.
De werknemersorganisaties vragen in hoofdorde de schrapping van de volledige maatregel betreffende de centenindex. In ondergeschikte orde, bij het behoud ervan, vragen zij dat in het ontwerp-KB over de geconsolideerde loonmatigingsbijdrage niet in een afbouw van het aandeel van de bijdrage en niet in een einddatum van de toepassing wordt voorzien.
De programmawet werd op 1 juni 2026 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.
Bron: Ontwerp van programmawet, Parl. St Kamer 2025 – 2026, 1378/001; NAR advies nr. 2484 van 31 maart 2026 “Maatregelen betreffende de index – Titel III van het voorontwerp van programmawet”, https://cnt-nar.be/nl; Programmawet van 30 mei 2026, BS 1 juni 2026.